‘Bewondering is een vermomde jaloersheid’.
Stoten deed ik onlangs op deze fijn besnaarde zinsnede, en, hoewel het niet op Facebook was, i liked it immediately. Weliswaar leuk in de betekenis van ‘Verdomme, ja! Dat is zo hard waar!’, als een koud water dat u in het gezicht slaagt en u confronteert met het feit dat dat al weer veel te lang geleden was. Het sneed meteen alle wonden in mij open, alle droefenis over mijn eigen lamentabele kunnen, maar nog veel sterker, een sterke scheut absolute jaloezie borrelde aan 40° in mij naar boven over de artistieke wonderen van deze wereld.
Lieve lezer, ik wou dat ik diegene was geweest die op een koude zondagochtend in de Brusselse metro de lyrics van ‘Moodswing Baby‘ had neergepend. Dat ik net zoals Bert Ostyn, dankzij een lichte neurie nu en dan, ook eens een absoluut fragiel maar MIA-winnend prijsbeest kon uitbrengen. En waarom moest het net Jon Favreau zijn, jonkie van amper 28 jaar, die Barack Obama de gevleugelde woorden ‘If there is anyone out there…’ kon bezorgen om zo op een donkere herfstavond hoop in de harten van zovelen op te wekken. Beste Barack, ik had ook een fabelachtig openingszin voor je jubellied. Waarom koos je nooit voor mij?
Waarom heb ik nooit een geniale ingeving à la Kele Okereke om met wat xylo-getrommel de mensen en de dingen op de rand van de ontroering te brengen? De wil en krabbelboekjes op elk moment van de dag zijn al aanwezig, maar een literaire klepper zoals ‘Extreem Luid en Ongelooflijk Dichtbij‘ van Jonathan Safran Foer zit er nog niet meteen in. Elke dag word ik met orkaankracht zodanig van mijn sokken geblazen, maar het zuchtje wind dat ik kan veroorzaken, is nog niet eens een rimpel op het wateroppervlak waard.
‘Bewondering is een vermomde jaloersheid’.